Zwemmarathon 2003 deel 2
9.00 uur. Eindelijk is het zover. We moeten ons verzamelen bij de ponton. Als je nummer wordt geroepen mag je er op. We staan dicht op elkaar en de spanning is voelbaar. Ik controleer voor de twintigste keer of mijn zwembril wel goed zit. Bradley die aan de andere kant van de groep staat wenst mij succes.’Sterkte,’zeg ik tegen hem. De zwemmer naast mij barst in lachen uit.’Wat wens je die man? Sterkte? Denk je dat hij de marinetrap niet gaat halen? Succes moet je hem wensen!’ Ik moet ook lachen. Hij heeft gelijk.
Dan worden onze nummers afgeroepen en lopen we één voor één de ponton op. De jonge zwemmers verdringen zich bij de rand van de ponton. Ik sta met de ouderen achter hen. Als het sein wordt gegeven storten de jongeren zich massaal in het water. Ik spring en wordt omsloten door het groene water. Het is niet warm en niet koud. Ik ben begonnen. Er is geen weg terug.
Ik begin rustig. Zoals ik mij voorgenomen heb, eerst een paar minuten schoolslag en dan pas borstcrawlen. De wedstrijdzwemmers zijn al snel een heel stuk voor mij. Jessica had het al tegen mij gezegd:’Het is net alsof je alleen in die rivier zwemt.’Zo voelt het inderdaad. Af en toe zie ik een begeleidingsbootje voorbij varen. Ik borstcrawl op een rustig tempo. Er zijn geen golven en de temperatuur van het water is aangenaam. Ver voor mij zie ik de armen van de snelle zwemmers telkens uit het water komen. Na ongeveer een uur zwemmen nader ik een jongen die door een bootje begeleidt wordt. We zwemmen een hele tijd naast elkaar.
Een vrouw in de boot, waarschijnlijk zijn moeder, praat af en toe tegen hem.’Wil je geen stroop? Geen chocola? Een Mars?’ Ik moet lachen, maar dat is moeilijk als je zwemt.
Dan roept een man in het bootje naar mij:’Wil je niet drinken?’ ‘Eigenlijk niet,’ roep ik terug.
Ik vind het een beetje onbeleefd om botweg te weigeren. ‘Je moet drinken,’roept de man,’al is het maar een paar slokjes.’ Hij gooit een zakje naar mij toe.’Het is glucosewater.’
Ik pak het zakje, bijt erin en zuig het zoete water op. Ik heb geen geduld om het helemaal leeg te drinken en zwem verder. De jongen heeft aansluiting gevonden bij een groepje jonge zwemmers en ik zwem achter ze aan. De brug wordt maar heel langzaam groter en na nog een uur zwemmen naderen we hem eindelijk.Hij torent hoog boven het water uit en nu zie ik alleen nog maar dat deel waar we onderdoor moeten. Het is de overspanning links van het midden van de brug. Door de stroming schijnt het soms moeilijk te zijn om precies daar uit te komen.’Links aanhouden,’ zegt de man in de boot telkens tegen het groepje en ik volg ze. Voor mijn gevoel zwemmen we op de linker pijler af, maar de man zal het wel beter kunnen zien, denk ik. Het is vanuit het water heel moeilijk in te schatten wat je positie ten opzichte van de brug is. Ik ga van borstcrawl over op schoolslag om beter te zien waar ik ben.
Plotseling ben ik de groep zwemmers kwijt en merk ik iets raars. In plaats dat ik op de brug af ga, komt de brug naar mij toe. Onder aan de pijler zit een metershoog blok, dat als een gigantisch schip recht op mij af vaart. Bij elke slag die ik zwem, komt het blok een heel stuk dichterbij. Op het blok staan lifeguards die roepen dat ik naar rechts moet. Ze maken maaiende gebaren met hun armen om mij te laten zien dat ik moet borstcrawlen. Een meter of tien rechts van mij verschijnt een bootje. De mensen in het bootje roepen hetzelfde en maken ook borstcrawl gebaren.
Op de een of ander manier ben ik gehypnotiseerd door het blok onder aan de pijler dat nu als een bewegende muur op mij af komt. Ik zwem wel naar rechts, maar nog steeds schoolslag. Ik wil niet borstcrawlen, want dan heb ik veel minder overzicht.
Dan zie ik haar komen. Een lifeguard. Een jonge vrouw, slank gebouwd, een meisje eigenlijk. Ze klimt langs een soort ladder die van het blok hangt, naar beneden. Haar natte haren zwiepen heen en weer bij elke beweging van haar hoofd. Met een schok realiseer ik mij dat ze mij uit het water wil halen. De tijd lijkt even stil te staan. De mensen op het blok en in de boot schreeuwen dat ik moet borstcrawlen. De lifeguard nadert het water. Ze is nu zo dicht bij mij dat ik haar gezicht goed kan zien. Het is vastberaden. Het blok is nu een muur die mij al het zicht ontneemt.
Eindelijk stuurt mijn brein de boodschap naar mijn lichaam: borstcrawlen! Terwijl ik met alle kracht die ik nog heb naar rechts borscrawl, schiet er van alles door mijn hoofd. Ik wil niet op Bosjes brug te pletter slaan. Ik wil ook niet door een lifeguard(hoe charmant ook) uit het water gevist worden. Ik lijk niet vooruit te komen, maar de pijler lijkt van koers te veranderen en om mij heen te varen. Ik heb het gered.
Na de brug wordt alles anders. Het begint te regenen en de golven worden steeds hoger. Gelukkig is de stad links nog goed te zien en dus ook de orientatiepunten, de Hakrinbank en de torens van de Rosakerk, die er bovenuit steken. Ik zie het groepje zwemmers weer en sluit mij bij ze aan. De Goslar is rechts voor mij. Tegen de grijze lucht en in de regen is het een onheilspellende verschijning. Zolang je links van de Goslar blijft gaat alles goed, hebben ze gezegd. Ik hou hem goed in de gaten. Na de brug, is nader kennismaken met de Goslar, het laatste waar ik zin in heb.
De golven maken borstcrawlen onmogelijk. Iedereen zwemt nu schoolslag. We naderen de stad. Het laatste stuk gaat heel snel. Mensen in de bootjes vuren ons aan en ik probeer, net als de zwemmers voor mij, weer te borstcrawlen. De waterkant vol mensen schuift razendsnel voorbij. De ponton met het licht, het eindpunt, is duidelijk te zien. Wij lijken precies goed uit te komen. Als de zwemmer voor mij uit het water getild wordt, duwt de stroom mij tegen de ponton. Ik leg mijn handen er op en wordt uit het water gehesen. Het is moeilijk om op mijn benen te staan, maar de mensen die helpen weten dat. Eén van hen is Ray, een oude bekende.’Rustig Chris, even stilstaan,’zegt hij. Inderdaad, daarna gaat het beter.
Als ik de trap op loop van de ponton naar de kant, hoor ik roepen:’Pap, pap!’Mijn zoontje staat aan de kant in de menigte en zwaait naar mij. Ik steek mijn duim naar hem op. Het begint nu echt tot mij door te dringen dat ik de marathon gezwommen heb. Op de kant slaat een dame een deken om mij heen en ondersteunt mij naar de douches. Ik voel mij als een kind dat binnengehaald wordt uit de kou.
Hierbij wil ik de Surinaamse Zwembond bedanken voor de gelegenheid om mee te doen en de uitstekende begeleiding.
Chris Polanen
» Klik hier voor een overzicht van columns
Meer nieuws uit Nederland: