Een voorproefje van de grote winternacht in Den Haag werd op 14 januari in de bibliotheek van de Bijlmer gehouden. Natuurlijk ging ik vooral om Cynthia McLeod en Marylin Simons. te horen.Van de Antilliaanse dichter Gibi Bacilio en de Nederlandse schrijfster Christine Otten had ik nog nooit gehoord. De opkomst in de bibliotheek was goed: jong, oud, Nederlands, Surinaams, Antilliaans. Iedereen gezellig op klapstoeltjes dicht tegen elkaar. Nicole Terborg die de avond leidde, interviewde Cynthia McLeod als eerste. Zij vertelde over haar onderzoek naar de vrije zwarte vrouw Elisabeth Samson, over wiens leven zij een boek schreef. McLeods nieuwsgierigheid naar hoe het vroeger in Suriname was, hield haar jarenlang aan het werk in verschillende archieven. De opmerking:‘Ik ken de bewoners van Paramaribo van de vorige eeuw beter dan die van nu,’leverde haar gelach uit de zaal op, maar ik kon zien dat ze het meende. Het bestuderen van het leven van Elisabeth Samson had haar een nieuwe kijk gegeven op de Surinaamse geschiedenis.’Een rijke zwarte vrouw? Die kon toch alleen maar rijk geworden zijn doordat ze die eigendommen van een blanke man gekregen had? Het idee dat ze die zelf vergaard kon hebben, kwam niet bij de geschiedschrijvers op.’ Na McLeod was het de beurt aan Gibi Bacilio, de dichter van Curaçao. Nicole Terborg vertelde dat hij zowel theologie als filosofie gestudeerd had. Gibi, een kleine man met een brede glimlach, vertelde dat hij zijn gedichten voordroeg onder muzikale begeleiding en maakte het publiek attent op de vertaling van de Antilliaanse tekst die uitgedeeld was. Tijdens het voordragen van zijn gedichten onderging hij een metamorfose. Hij droeg de gedichten niet alleen voor, hij liet ze leven. Een gedicht over de moeilijke relatie met moeder Nederland’ Mamma Macamba’ werd gevolgd door één over corrupte politici’ Quidao que djakana.’(pas op voor de ratten) Naarmate een gedicht vorderde werd het ritme opzwepender en de gebaren van Gibi heftiger. Gibi’s gedichten hadden een duidelijke boodschap en brachten sterke emoties over. Een ingetogen gedicht over de veroordeling van een homoseksueel door zijn omgeving was even indrukwekkend. Het was de eerste keer dat ik een dichter/ performer zag en ik zou het niet snel vergeten. Gibi liet de zaal enthousiast achter.
Daarna was Marylin Simons aan de beurt. Nicole Terborg vertelde dat ze vorig jaar de Kwakoe Literatuurprijs won en het jaar daarvoor De Ware Tijd literatuurprijs. De Ware Tijd prijs had veel reacties in Suriname opgeleverd, vertelde Marylin, de Kwakoe Literatuurprijs veel minder. Ze las een kort verhaal,Witte Waterlelies, voor uit haar bundel die binnenkort in Suriname verschijnt.
Marylins Surinaams- Nederlands taalgebruik was een lust voor het oor. Telkens als ze;’Aaai, meisje ….,’zei, waande ik mij in even in Suriname. Zoals trouwe lezers van Marylin gewend zijn, nam het verhaal een dramatische wending. Ze vertelde het alsof het echt gebeurd was, en met dat gevoel bleef ik achter nadat het verhaal afgelopen was. Hoewel het maar vier minuten geduurd had, kon je aan het applaus merken dat het publiek onder de indruk was.
De Nederlandse schrijfster Christine Otten vertelde hoe ze door haar zoon kennis maakte met rap muziek. Ze kwam erachter dat een groepje zwarte Amerikanen, de zg Last Poets, in de zestiger jaren met hun gedichten de basis hadden gelegd voor de hedendaagse rapmuziek. Ze raakte gefascineerd door deze dichters en reisde naar Amerika om ze te ontmoeten.
Ze schreef een boek over hen dat binnenkort uitkomt. Uit dit boek las ze een stuk voor.
Het beschreef een ervaring van één van de dichters als twaalfjarig jongetje. De expliciete seksuele passage was nogal overdonderend. Het twijfelend applaus dat volgde, wees erop dat ik niet de enige in het publiek was, die even bij moest komen.
Na de pauze mochten de schrijvers hun visie geven op de hedendaags Nederlandse samenleving. Dit bleek niet zo een makkelijke opgave, aangezien behalve Otten, allen van buiten Nederland afkomstig waren. ‘Bemoeizuchtig en betweterig,’ zei Gibi Bacilio,’zo zou ik Nederland beschrijven.’laat de Antillen het toch eens zelf proberen.’
‘Nederlanders zijn afschuwelijk rijk, maar beseffen het niet,’ sprak Cynthia Mcleod.
Christine Otten schaamde zich er een beetje voor om Nederlander te zijn in deze tijd waarin men de allochtonen lijkt te willen forceren zich aan te passen. Marylin Simons waarschuwde ervoor niet generaliserend te spreken over Nederlanders.
Er ontstond een discussie over het Surinaams- Nederlands, het Nederlands waarin Simons schrijft. ‘Waarom wordt dat in Suriname nog steeds niet geaccepteerd?’vroeg ze zich af. Mcleod wees erop dat Nederland zolang alles gedaan heeft om Surinamers zo Nederlands mogelijk te maken, dat dat niet zo maar teruggedraaid kon worden.’Maar hoelang moet dat dan nog duren?’vroeg Simons zich af. ‘Het zal veranderen,’was het antwoord van McLeod. De discussie ging verder over Edgar Cairo, de schrijver wiens Surinaams-Nederlands taalgebruik in Suriname niet geaccepteerd werd. Lang niet iedereen in het publiek kreeg de kans aan de discussie deel te nemen. Daar was niet genoeg tijd voor. Misschien wel het mooiste bewijs dat de winternacht erin slaagde het publiek te boeien en te prikkelen.
Chris Polanen